Handhavingsverordening WWB en WIJ 2010

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente IJsselstein
Officiële naam regelingHandhavingsverordening WWB en WIJ 2010
CiteertitelHandhavingsverordening WWB en WIJ 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet Wij

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-07-2010 n.v.t. Nieuwe regeling 23-06-2010 Zenderstreeknieuws, 23-06-2010 raadsstuk 2010-29013

Tekst van de regeling

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijving

  1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    1. wet: de Wet investeren in jongeren;

    2. WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde toeslag of verlaging;

    3. maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid WIJ;

    4. benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de wet;

    5. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein.

  2. alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet investeren in jongeren en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2. HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN ALS BEDOELD IN

Artikel 45. VAN DE WET

Artikel 8. Indeling in categorieën

Gedragingen van jongeren, waardoor de verplichting op grond van artikel 45 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën.

  1. Eerste categorie:

  2. het zonder geldige reden niet verschijnen naar aanleiding van een uitnodiging in verband met een onderzoek naar de arbeidsinschakeling;

  3. het onvoldoende meewerken aan de totstandkoming van een trajectplan gericht op de arbeidsinschakeling;

  4. het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijk geachte behandeling van medische aard.

  5. Tweede categorie:

  6. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

  7. het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;

  8. het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of het bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid.

  9. Derde categorie:

  10. het zich zodanig gedragen dat de arbeidsinschakeling wordt belemmerd.

  11. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan activiteiten gericht op de arbeidsinschakeling;

  12. het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten.

  13. Vierde categorie:

het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 9. De hoogte en duur van de maatregel

Onverminderd artikel 2, tweede lid wordt de maatregel vastgesteld op:

  1. 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  2. 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;

  3. 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;

  4. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.

Hoofdstuk 3. NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT ALS BEDOELD IN

Artikel 44. VAN DE WETArtikel 10 Te laat verstrekken van gegevens

Artikel 10. Te laat verstrekken van gegevens
  1. Indien de jongere de verplichting op grond van artikel 44 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt een maatregel opgelegd van 5% van de WIJ-norm gedurende een maand, onverminderd artikel 2, tweede lid.

  2. Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Hoofdstuk 4. ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN

Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen

  1. Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd op de volgende wijze:

    1. verbale uitingen of gedragingen zoals schelden of bedreigingen in het algemeen: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

    2. schade aan eigendommen of goederen van de gemeente: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

    3. verbale gedragingen of bedreigingen gericht tegen de persoon: 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

    4. lichamelijk geweld, al dan niet met letsel tot gevolg hebbende, gericht tegen het college of haar ambtenaren: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

  2. De in het eerste lid genoemde maatregelen worden eveneens opgelegd, indien de uiting of gedraging plaatsvindt bij UWV dan wel zich richt tegen een derde die namens het college werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 11, vierde en vijfde lid van de wet.

  3. In aanvulling op het gestelde in het eerste lid kan door, of namens het college, aangifte worden gedaan bij de politie dan wel de jongere de toegang tot het gemeentehuis worden ontzegd. De duur van de ontzegging is gekoppeld aan de ernst van de gedraging.

Hoofdstuk 5. SLOTBEPALINGEN

Artikel 14. Hardheidsclausule en onvoorziene gevallen

  1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jongere afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

  2. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Toelichting