Verordening Re-integratie Wet werk en bijstand 2012
Gegevens van de regeling
| Overheidsorganisatie | Gemeente IJsselstein |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Verordening Re-integratie Wet werk en bijstand 2012 |
| Citeertitel | Verordening Re-integratie Wet werk en bijstand 2012 |
| Vastgesteld door | gemeenteraad |
| Onderwerp | maatschappelijke zorg en welzijn |
| Eigen onderwerp | Re-integratiebeleid WWB |
Opmerkingen m.b.t. de regeling
Geen
Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd
- Gemeentewet, art. 147, lid 1, art. 149
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)
Beleidsregels re-integratie WWB
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Datum ondertekening, Bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 10-05-2012 | 01-01-2012 | Onbekend | 29-03-2012 Gemeenteblad, 2012, 7 | 2012/05525 |
Tekst van de regeling
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
WWB: Wet werk en bijstand;
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
de wet: de WWB, IOAW of IOAZ;
uitkeringsgerechtigden: personen die een uitkering ontvangen ingevolgde de WWB, IOAW of IOAZ.
Anw-ers: personen die een uitkering ontvangen ingevolge de Algemene nabestaandenwet als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de WWB;
nuggers: personen die als werkloze werkzoekenden zijn geregistreerd bij UWV WERKbedrijf en die niet-uitkeringsgerechtigden zijn als bedoeld in artikel 6 onder a van de WWB;
belanghebbenden: personen die behoren tot de onder e tot en met g genoemde categorieën, alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de WWB, die inwoner zijn van de gemeente IJsselstein en de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt;
het college: het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein;
de raad: de gemeenteraad van IJsselstein;
arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 6 onder b van de WWB, respectievelijk artikel 4a onder a van de IOAW en IOAZ;
ondersteuning: ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7 van de WWB, respectievelijk artikel 34 van de IOAW en IOAZ, en deze verordening;
voorziening: een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de WWB, respectievelijk artikel 34, eerste lid onder a van de IOAW en IOAZ, deze verordening en de door het college vastgestelde aanvullende beleids- en uitvoeringsregels;
voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de WWB, IOAW of IOAZ en deze verordening, waarop belanghebbenden aanspraak kunnen maken dan wel een beroep kunnen doen, die naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt aan de arbeidsinschakeling;
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2. Beleid
Artikel 2. Opdracht college
Het college biedt aan belanghebbenden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan als bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a van de wet en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling.
Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij wordt beoordeeld of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op arbeidsinschakeling.
Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod van ondersteuning en voorzieningen.
Het college kan de in het eerste lid genoemde ondersteuning tevens beschikbaar stellen aan personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel c van de wet.
Van de in het vierde lid genoemde mogelijkheid zal het college slechts gebruik maken nadat met UWV afspraken zijn gemaakt over de financiering van de voorziening.
Het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kan, als het college dit noodzakelijk acht, onderdeel uit maken van het aanbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid.
Hoofdstuk 3. Voorzieningen
Artikel 7. Arbeidsinschakeling
Het college biedt belanghebbenden die naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan.
Artikel 8. Inzet van voorzieningen
Binnen het aanbod van ondersteuning en voorzieningen wordt gekozen voor datgene dat beschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor het doel dat wordt beoogd.
Ondersteuning en voorzieningen worden alleen ingezet, indien zonder die inzet het vinden van arbeid niet mogelijk is.
Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden.
Het college kan een voorziening beëindigen:
indien de uitkeringsgerechtigde die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de WWB, respectievelijk artikel 35 en 44 van de IOAW en IOAZ, niet nakomt;
indien de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van deze verordening;
indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;
indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling.
Ten aanzien van de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling of de ondersteuning bij arbeidsinschakeling stelt het college, met inachtneming van het gestelde in artikel 3, eerste lid, beleidsregels vast.
De in het vijfde lid bedoelde beleidsregels hebben tevens betrekking op het vaststellen van een eigen bijdrage voor, en het in aanmerking nemen van vermogen van de belanghebbende met een inkomen hoger dan de bijstandsnorm aan wie een voorziening wordt toegekend.
Hoofdstuk 5. SLOTBEPALINGEN
Artikel 14. Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Toelichting
Algemene toelichting
Op grond van de WWB, IOAW en IOAZ (WWB e.a.) heeft het college van burgemeester en wethouders de opdracht om de re-integratie van uitkeringsgerechtigden, nuggers en Anw-ers vorm te geven. De WWB e.a. draagt aan de gemeenteraad op om een verordening vast te stellen, waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van de re-integratietaak is neergelegd. Tevens is hierin de aanspraak van burgers op ondersteuning bij re-integratie geregeld. De basis voor de verordening is neergelegd in artikel 8, eerste lid onder a, e en f, artikel 8 tweede lid en artikel 10 eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 35 en 36 van IOAW en IOAZ.
De voorzieningen zijn, met uitzondering van financiële aanspraken, niet in de verordening opgenomen, maar uitgewerkt in beleidsregels. Dit maakt een slagvaardige uitvoeringspraktijk mogelijk en voorkomt dat de verordening bij elk nieuw ontwikkeld instrument moet worden aangepast.
Artikelsgewijze toelichting
In dit artikel worden definities gegeven van begrippen die in de verordening voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. In een aantal gevallen wordt verwezen naar definities is de wet om ervoor te zorgen dat daarmee zoveel mogelijk aansluiting blijft.
In vorige versies van de verordening was in de definities een beschrijving opgenomen van gemeentelijke doelgroepen. Deze is echter in de nieuwe verordening niet meer opgenomen. Voor zover de gemeente uitgaat van doelgroepen, is dit uitgewerkt in nadere regels.
De WWB e.a. geeft aan het college de verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. Het eerste lid is analoog aan de wet vormgegeven. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning zoals de belanghebbende dat wellicht het liefst zou zien.
Het tweede lid is de vertaling van de opdracht dat de gemeente evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet houden met de combinatie arbeid en zorg. In een beleidsplan of -nota, maar met name in de uitvoering, komt vervolgens tot uiting hoe dit uitgewerkt wordt. Daarbij speelt ook een rol dat de middelen beperkt zijn.
Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen worden. Dit is met name van belang omdat de gemeente de aanspraak op een voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er dient altijd een alternatief voorhanden te zijn.
In het vierde en vijfde lid wordt gedoeld op personen met een uitkering van het UWV (Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen). Als verwacht wordt dat personen vanuit de WW of WAO in de bijstand komen, kan het logisch zijn dergelijke personen, die tot de re-integratieverantwoordelijkheid van het UWV behoren, een aanbod te doen.
Het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kan, als het college dit noodzakelijk acht, onderdeel uit maken van het aanbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid.
De WWB e.a. stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op ondersteuning en voorzieningen in de verordening geregeld moet worden, immers het is ook al in de WWB e.a. zelf geregeld. Uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid).
In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar beleidsdocumenten waarin die criteria geformuleerd worden.
In het derde lid is, ter voorkoming van onduidelijkheid, weergegeven dat het college geen ondersteuning biedt aan personen waarvoor dit in de wet is uitgesloten. Dit geldt in ieder geval voor jongeren tot 27 jaar (of het gezin waarvan alle gezinsleden jongeren zijn dan 27 jaar) gedurende de eerste vier weken na hun melding bij UWV in verband met hun bijstandsaanvraag.
Met ingang van 1 juli 2012 zijn ook jongeren tot 27 jaar die door het Rijk bekostigd onderwijs kunnen volgen uitgesloten van ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.
Verder belet de wet het aanbieden van een participatieplaats aan jongeren tot 27 jaar.
Uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.
Het derde lid biedt de verbinding met de afstemming van de uitkering. Voor personen die een bijstandsuitkering op grond van de WWB ontvangen is dit de afstemmingsverordening. Voor personen met een uitkering ingevolge de IOAW en de IOAZ is de afstemming (maatregel) geregeld in de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010.
Echter, nuggers en Anw-ers hebben geen uitkering van de gemeente. Het opleggen van een maatregel is dan ook niet mogelijk. Daarom is in het vierde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een deel van) de gemaakte kosten kan terugvorderen.
De wet bepaalt in artikel 9 lid 2 dat ontheffing van één van bovengenoemde verplichtingen op grond van dringende redenen mogelijk is. Een ontheffing mag alleen:
individueel worden verleend. Ontheffing van een categorie (bijv. i.v.m. leeftijd) is niet mogelijk;
tijdelijk worden verleend (een blijvende ontheffing is in de WWB niet mogelijk).
wel of niet worden verleend (een gedeeltelijke ontheffing is niet mogelijk)
Mensen met een WSW-indicatie zijn op grond van de wet (artikel 9 lid 5 WWB) al ontheven van de arbeidsverplichting. Een ontheffing door de gemeente is voor deze uitkeringsgerechtigden overbodig.
Ter beheersing van de uitgaven kan het college in beleidsregels een maximum (plafond) verbinden aan beschikbare middelen, of als afgeleide hiervan, aan het aantal personen dat voor een voorziening in aanmerking kan komen.
De ondersteuning is primair gericht op bemiddeling naar regulier werk. In gevallen waarin dit niet mogelijk is, kan ondersteuning door middel van een voorziening worden geboden.
In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen. Op grond van het eerste en tweede lid wordt alleen een voorziening verstrekt, die beschikbaar is, nodig is en niet duurder of uitgebreider dan nodig is.
Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo kan bepaald worden dat een belanghebbende gedurende het traject op gezette tijden met de consulent de voortgang bespreekt.
Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het college dat kan doen.
Het college kan voor alle voorzieningen en subsidies aan werkgevers of belanghebbenden nadere regels te stellen.
In artikel 10a van de Wet werk en bijstand is geregeld waaraan een participatieplaats moet voldoen. Het gaat hierbij om onbeloonde additionele werkzaamheden gedurende maximaal vier jaar. (Twee jaar met na twee jaar nog twee keer een verlenging van een jaar). In de verordening is, conform de wettelijke verplichting, geregeld dat het college een premie verstrekt, welke eenmaal per 6 maanden wordt beoordeeld. De hoogte van de premie is in nadere regels uitgewerkt.
De participatieplaats is door middel van een schakelbepaling in artikel 38a van de IOAW en IOAZ ook van toepassing van mensen met een uitkering IOAW of IOAZ. Voor deze personen kan ook de premie worden ingezet, alsmede scholing worden beoordeeld.
In artikel 9 lid 5 is voor de werknemer op een participatieplaats het recht op scholing geregeld, zolang belanghebbende niet beschikt over een startkwalificatie en zolang scholing bijdraagt aan vergroting van de kans op arbeidsinschakeling.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdregel is dat slechts een subsidie wordt verleend bij volledige uitstroom uit de bijstand. Deze dient enerzijds ter stimulering van werkaanvaarding, en bovendien ter bestrijding van de armoedeval. Daarnaast is sinds 2009 een deeltijdsubsidie mogelijk. Deze wordt ingezet in plaats van de gedeeltelijke vrijlating van inkomsten uit deeltijdwerk. Dit heeft enerzijds een financiële reden (de inkomstenvrijlating drukt op het Inkomensdeel, de deeltijdsubsidie op het Participatiebudget), anderzijds vanwege uitvoeringstechnische redenen.
Het is mogelijk om in een aantal gevallen een kostenvergoeding te verstrekken voor bijvoorbeeld reiskosten en andere kosten in verband met werk. In de verordening wordt één artikel opgenomen onder de noemer kostenvergoeding, waaronder verschillende soorten kostenvergoedingen vallen. In de beleidsregels wordt verder uitgewerkt in welke gevallen een kostenvergoeding zal worden verstrekt.
In bepaalde situaties moet een werkgever “over de streep worden getrokken” door middel van een subsidie. Ook bestaan er tegenwoordig meerdere (korte) opleidingen met baangarantie waarbij inzet van bijv. een loonkostensubsidie wordt gevraagd. Er zijn verschillende vormen van financiële prikkels denkbaar. Het is mogelijk een premie te verstrekken of een subsidie voor begeleidingskosten e.d. Een loonkostensubsidie wordt verstrekt omdat de werknemer in de eerste periode nog niet volledig productief is. Hierbij zijn allerlei varianten denkbaar. We stellen voor te kiezen voor een loonkostensubsidie, maar deze niet standaard beschikbaar te stellen aan alle werkgevers. Dit is veelal namelijk niet nodig. De mogelijkheid van een loonkostensubsidie wordt opgenomen in de re-integratieverordening. De duur is de verordening gemaximeerd tot een jaar. De hoogte van de subsidie zal enerzijds worden afgestemd op de productiviteit en mogelijkheden van de cliënt en anderzijds op de mogelijkheden en wensen van de werkgever. Dit wordt waar nodig verder uitgewerkt in beleidsregels.
Overigens zal er op gelet worden dat werkgevers niet opeenvolgend gebruik maken van bijv. proefplaatsing en loonkostensubsidie. Bovendien geldt als voorwaarde dat de werkgever bereid is om met de werknemer een arbeidsovereenkomst aan te gaan voor de minimale duur van een jaar.
Hiermee wordt meestal bedoeld dat de gemeente van werkgevers waar zaken mee worden gedaan eist dat zij een aantal bijstandscliënten in dienst neemt of op een stageplek plaatst. De raad heeft eerder gevraagd deze mogelijkheid te onderzoeken. Inmiddels is dit onderwerp opgenomen in de Nota aanbestedingsbeleid.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.


